Denken met je oren !
Hieronder staan een paar oefeningen om (beter) naar een omgeving te leren luisteren, om de specificiteit als ook de auditieve (on)mogelijkheden van een plek te leren kennen (Ruiz Arana 2024: 9).
Oefening 1
- Schrijf alle geluiden op die je hoort.
- Rangschik ze naar hun duur: a = continu klinkend; b = met tussenpozen terugkerend; c = maar 1 keer optredend.
- Categoriseer de geluiden naar hun oorsprong: a = natuurlijke, niet door dier of mens geproduceerde geluiden (water, wind, regen); b = menselijke geluiden (stemmen, fluiten, schreeuwen); c = geluiden van dieren (gezang van vogels, blaffende hond); d = artificiële geluiden (verkeer, alarm, klok, machines).
Oefening 2
- Welke geluiden komen van ver, welke zijn juist dichtbij?
- Is er zoiets als een auditieve horizon, de grens tussen binnen en buiten gehoorsafstand? En in hoeverre verschilt deze van de visuele horizon?
- Wat zijn de hardste en de zachtste geluiden die je kunt horen?
- Welke geluiden hebben een hoge frequentie, welke een lage?
Oefening 3
In Deel 1- Inleiding staat dat geluid relationeel is, dat wil zeggen dat geluiden niet slechts wordt bepaald door hun bron, maar ook door de omgeving waarin ze klinken.
- Beschrijf een paar geluiden uit oefening 1 in meer detail. Bijvoorbeeld bij het geluid van een auto: rijdt hij of staat hij stil? Rijdt hij snel of langzaam? Rijdt hij voor- of achteruit? Is het een grote of een kleine auto?
- En met meer aandacht voor de omgeving: rijdt hij door een nauwe of brede straat? Is de straat droog of nat? Bestaat het straatoppervlak uit asfalt, klinkers, of iets anders? Hoe hoor je dat eigenlijk?
- Wat is het effect van de omgeving op het geluid? Is er bijvoorbeeld sprake van echo?
Oefening 4
Bepaalde informatie uit oefening 3 – de hoeveelheid auto’s, het straatoppervlak en de omgeving – geeft ook informatie over de sociale, economische en culturele context waarin dat geluid optreedt. Ofwel, door middel van deze geluiden leren we ook meer over de niet-klinkende opgeving. We horen dus altijd meer dan louter het geluid zelf.
- Vind je de totale geluidsomgeving waarin je oefening 1 hebt gedaan aangenaam of niet?
- Welke geluiden uit oefening 1 vind je aangenaam?
- Hoor je geluiden die je hier verwacht of zijn ze verrassend te noemen? Is dat positief of juist niet?
- Passen de geluiden bij de visuele omgeving? En is dat belangrijk?
- Welke geluiden zou je willen veranderen, weghalen of maskeren? Welke zou je willen toevoegen omdat je ze mist? Hoe zou dat mogelijk zijn?